“Je gaat het pas zien als je het doorhebt”

In mijn vorige blog schreef ik over het belang van het vroegtijdig organiseren van gesprekken met alle betrokken gezinsleden. Liefst voordat junior überhaupt in het bedrijf aan de slag gaat. Maar in de praktijk gaat het vaak net even anders.
Eerst maar eens kijken of junior het bedrijf überhaupt leuk vindt.
Dus draait hij een tijdje mee. Eerst een bijbaantje, later misschien een echte functie. En voor je het weet zijn er een paar jaar voorbij en blijkt dat het bedrijf toch wel heel interessant is. De seinen gaan op groen.

Van meedraaien naar directeur in opleiding

En dan begint fase twee: de voorbereidingsfase.
Een gave fase, vind ik. De fase waarin vader en zoon, moeder en dochter, of neven en nichten langzaam ontdekken hoe ze samen verder kunnen. Wie doet wat? Wie neemt welke verantwoordelijkheid? En vooral: hoe zorg je ervoor dat je als familie samenwerkt zonder dat iedere vergadering eindigt in een discussie die eigenlijk al tijdens de privé-visite begon?
De beoogde opvolger gaat zich ontwikkelen als ‘directeur in opleiding’. Een mooie rol. Je mag leren van de generatie voor je, fouten maken, vragen stellen en ondertussen steeds meer verantwoordelijkheid pakken. En vaak zie je iets moois gebeuren.
De trotse blik van een vader die zijn zoon een lastige beslissing ziet nemen. De moeder die haar dochter ineens een vergadering ziet leiden. Of de senior die denkt: Kijk nou… daar staat er eentje die het straks misschien echt van mij gaat overnemen.

Ook voor collega’s verandert de verhouding

Maar dan is er nog een groep mensen die we in dit verhaal niet moeten vergeten: de collega’s. Want voor hen verandert er óók iets. Zij kennen de opvolger soms al zijn hele leven. Letterlijk.
In mijn praktijk heb ik meegemaakt dat oudere medewerkers vroeger nog wel eens als oppas fungeerden voor de opvolger die inmiddels jongvolwassen directeur-in-opleiding is. Diezelfde medewerker zit nu ineens tegenover hem aan tafel en denkt misschien onbewust:
‘Was jij niet degene die vroeger met je skelter over het bedrijventerrein scheurde?
En nu moet hij straks misschien aan jou rapporteren. Dat is toch even schakelen.
Waar de kleine opvolger vroeger het knuffelmiddelpunt was als hij binnenkwam, kan het ineens opvallend stil worden in de kantine.
Niet omdat iemand hem iets misgunt.
Integendeel.
Maar omdat iedereen voelt: er verandert iets.
En de opvolger voelt dat natuurlijk ook.
Die wil helemaal geen ‘zoontje van de baas’ zijn. Hij wil gewoon collega zijn. Dezelfde jongen die op zaterdag met de mannen de klusjes deed. Die mee aan de koffie zat. Die een geintje kon maken zonder dat iemand zich afvroeg wat dit betekende voor de toekomstige strategie van het bedrijf.
Maar ja…
Je kunt als opvolger natuurlijk van alles proberen af te zetten, maar die ene extra familiepet gaat nooit helemaal af. Een van de grote
En dat is niet erg.
Sterker nog: het helpt als je dat gewoon ziet.
Want ongemerkt word je steeds een beetje bekeken door de bril van ‘toekomstig leider’. Niet per se kritisch. Vaak juist betrokken. Collega’s willen immers óók graag dat het bedrijf waar zij al jaren werken een mooie toekomst tegemoet gaat.
En die toekomst ligt uiteindelijk mede in handen van de opvolger.
Dat brengt een bijzondere vorm van druk met zich mee.
Niet alleen vanuit de familie. Ook vanuit collega’s.
Je hebt in één keer meerdere petten op.

Welke pet hebben senior en junior op?

Een van de grote uitdagingen in deze fase is dat senior en junior soms vergeten welke pet ze op hebben.
Want wanneer vader tegen zoon zegt:
“Dit had je anders moeten aanpakken.”
Hoort zoon dan:
“Dit had je anders moeten aanpakken als directeur in opleiding.”
Of hoort hij:
“Mijn vader vindt dat ik het niet goed doe.”
Dat zijn twee compleet verschillende boodschappen.
En andersom.
Vader wil zijn zoon niet kwetsen. Zoon wil zijn vader niet teleurstellen.
En dus gebeurt er soms helemaal niets.
Geen ruzie.
Geen toestanden.
Ook geen goed gesprek.
Gewoon… stoïcijns doorwerken.
Want ja, zondag moet het thuis ook nog gezellig zijn. En met kerst willen we natuurlijk allemaal gewoon aan tafel kunnen zitten zonder dat iemand roept: “Maar jij zei tijdens de directievergadering…”
Dat is een valkuil in veel familiebedrijven.
Niet omdat mensen niet willen. Maar juist omdat ze zoveel van elkaar willen.

Een buitenstaander kan soms wonderen doen

Daarom kan het ontzettend helpen om iemand van buiten de familie erbij te betrekken.
Iemand die geen emotionele familierelatie heeft, maar wel uit eigen ervaring begrijpt hoe het is om samen een bedrijf te leiden en de dynamiek snapt.
Zo’n buitenstaander kan helpen om gesprekken weer over de inhoud te laten gaan.
Niet:
“Jij luistert nooit naar mij.”
Maar:
“Als jij dit besluit neemt zonder mij erbij te betrekken, loop ik vast in mijn rol.”
Dat klinkt misschien minder gezellig.
Maar het is wel duidelijker.
‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt’ zei Cruyff eens.
En daar begint vaak de oplossing.
Je traint elkaar als het ware om de juiste pet op te zetten. Directeur tegenover directeur. Senior tegenover junior. Collega tegenover collega.
En als het gesprek klaar is?
Dan mag de familiepet weer op.
Ook wel zo gezellig.